De helft van de mensen die met COVID-19 op de intensive care (ic) ligt, ontwikkelt trombose, blijkt uit gegevens verzameld door drie Nederlandse ziekenhuizen. De Trombosestichting is met artsen van het Erasmus MC en in samenwerking met universitaire en grote perifere ziekenhuizen en Sanquin een onderzoek gestart.

Mensen met COVID-19, de ziekte die het coronavirus veroorzaakt, worden behandeld met een hogere dosis antistollingsmiddel. Artsen hopen zo de prognose van de patiënten te verbeteren. Omdat er nog veel onduidelijkheid bestaat over de relatie tussen COVID-19 en trombose, is deze studie gestart.

Dokters van Morgen spreekt met Stans van Egmond van de Trombosestichting over het onderzoek.

Wat is het doel van het onderzoek?

De Trombosestichting hoopt uiteindelijk te weten te komen waarom zoveel COVID-19-patiënten trombose ontwikkelen, en wat de beste behandeling is om de trombose te voorkomen. Een ander doel is om te achterhalen welke biomarker iets kan zeggen over het tromboserisico van een individuele patiënt. 

Van Egmond: 'Een biomarker is een stof in het lichaam die iets kan zeggen over of je iets hebt, of iets "bent". Bijvoorbeeld bij diabetes: dan test je het glucosegehalte. Of, als je trombose hebt, dan kun je het D-dimeer-gehalte in het bloed meten. Bij een hoog gehalte is de kans groot dat je trombose hebt. Maar deze bloedwaarde is niet heel precies. Je kunt ook trombose hebben als de D-dimeer-waarde laag is. Daarom zoeken we een betere biomarker.'

In het verlengde daarvan wil de Trombosestichting ook de risicofactoren kunnen vaststellen die kunnen leiden tot trombose en longembolie (een longembolie kun je zien als trombose in de longen). Tot slot wil de stichting kijken welke dosis van het antistollingsmiddel heparine het beste resultaat geeft, of dat er nog andere behandelingen mogelijk zijn.

Van Egmond: 'Het idee is dat we de komende maanden veel gegevens gaan verzamelen, waaronder bloedsamples, die iets zeggen over het risico op trombose en een embolie. Want vijftig procent van de patiënten krijgt te maken met trombose, maar vijftig procent ook niet. Dus wat zorgt er nu voor dat de ene groep dat wel krijgt, en de andere niet? Als je dat weet kun je ook gerichter behandelen en monitoren.'

Wat is er al bekend over de relatie tussen infecties en trombose?

'Als je een hele ernstige infectie hebt, zo ernstig dat dat je op de ic moet worden opgenomen, dan is het lichaam vaak in een soort 'actieve stollingsstaat'. Als het afweersysteem actief wordt, dan geldt dat ook voor het stollingssysteem. Stollingseiwitten helpen namelijk ook mee om schadelijke stoffen op te ruimen', legt Van Egmond uit. 'Bij ernstige infecties krijgt gemiddeld tien procent van de patiënten te maken met trombose, bij mensen met COVID-19 gebeurt dat gemiddeld zelfs bij de helft.'

In veel gevallen leidt dat tot een embolie in de longen, maar het kan ook zorgen voor een stolsel op een andere plek, bijvoorbeeld in de armen of de benen. Van Egmond: 'Trombose in de longen kan erg gevaarlijk zijn. Het kan namelijk, maar dat hoeft niet te gebeuren, leiden tot obstructie van de ademhaling. Of het bloed kan vanwege de embolie niet doorstromen, waardoor je ook geen zuurstof kan opnemen. Een longembolie kan er uiteindelijk voor zorgen dat iemand overlijdt. Stolsels in de armen of benen kúnnen ernstig zijn, bijvoorbeeld als ze doorschieten naar de longen.'

Wanneer verwachten jullie meer te weten?

Van Egmond: 'Onder leiding van dr Marieke Kruip van het Erasmus MC zijn onderzoekers nu bezig om data te verzamelen over hoe vaak longembolieën voorkomen bij mensen met COVID-19 en hoe ernstig die embolieën zijn. Hopelijk is over twee weken al meer te zeggen over het effect van de hogere doses heparine. De komende maanden worden nog meer gegevens verzameld. En weten we meer over waarom trombose zo vaak ontstaat bij COVID-19-patienten en hoe dit snel te herkennen is.'